brengen
Néerlandais
Verbe
| Présent | Prétérit | |
|---|---|---|
| ik | breng | bracht |
| jij | brengt | |
| hij, zij, het | brengt | |
| wij | brengen | brachten |
| jullie | brengen | |
| zij | brengen | |
| u | brengt | bracht |
| Auxiliaire | Participe présent | Participe passé |
| hebben | brengend | gebracht |
Dérivés
- aanbrengen
- aaneenbrengen
- afbrengen
- bijbrengen
- bijeenbrengen
- binnenbrengen
- brenger
- doorbrengen
- grootbrengen
- heenbrengen
- herbrengen
- inbrengen
- medebrengen
- meebrengen
- ombrengen
- onderbrengen
- opbrengen
- overbrengen
- overeenbrengen
- rondbrengen
- samenbrengen
- terechtbrengen
- terugbrengen
- teweegbrengen
- thuisbrengen
- toebrengen
- uitbrengen
- volbrengen
- voorbrengen
- voortbrengen
- wegbrengen
- zoekbrengen
Prononciation
- Pays-Bas : écouter « brengen [bɾǝŋ.ǝː] »
- Pays-Bas (partie continentale) (Wijchen) : écouter « brengen »
Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Partage dans les Mêmes. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.